Bij de supermarkt zie ik haar staan. Wendy Stonner . Die moeder van school. Ik voel mijn bovenlip in een grommerige snauw naar mijn neus krullen. Ze staat naast haar auto. Ik overweeg om haar even aan te tikken met de linkerbumper. Ik wil haar niet het licht uit haar ogen rijden, maar ewoon, een klein tikje. Om even te zeggen “hai! Hier ben ik!”. Je weet wel. Even gevoelig het scheenbeen raken. Met een beetje geluk houd ze er alleen een kleine fractuur aan over.
Al vanaf dag 1 is het hommeles tussen ons. Het begon met een ongelukje. Bij het passeren in de gang raakten we elkaar. Wie wie raakte? Geen idee. Maar vanaf dat moment was het al mis. Telkens als we elkaar zagen moesten we elkaar aantikken. De lichte subtiele tikjes werden harder. Van ‘per ongeluk’ was na enige tijd geen sprake meer. Als ik haar zag aankomen ging ik niet naar rechts om haar te laten passeren, maar juist naar links zodat ik haar nog even een flinke tik met de linkerschouder kon geven. Traag van begrip als zij nou eenmaal is, duurde het even voor zij doorhad dat ik het expres deed. Maar toen dat kwartje eenmaal was gevallen, was er geen houden meer aan. De tikken met de schouders kwamen van ons beiden tegelijk en werden harder. Langzaam maar zeker ging het hele lichaam meedoen met de stoten.
Toen kwam de aanloop erbij. Ouders begonnen ons te mijden. Ze doken angstig opzij als zij ons zagen aankomen. Logisch. Als we elkaar toevallig op het schoolplein troffen, dan vlogen we elkaar aan, ieder vanaf een andere kant van het plein. Vergezeld doken we op elkaar, in een poging om de ander op zijn minst iets te verbrijzelen. Of anders een fractuurtje.
Nog beter was het, als ik haar wel zag, maar zij mij niet. Als zij met haar rug naar me toe weer eens aan die stinkpeuken van d’r stond te zuigen. Dan sprong ik haar op haar rug en beukte ik erop los. Met een beetje mazzel verdween die peuk dan in haar slokdarm! Dubbel prijs!
Aangezien wij in dezelfde wijk wonen en onze kinderen bij elkaar in de klas zitten, is een bijna dagelijkse confrontatie onvermijdelijk. Ook in de supermarkt is het pret. Zo stond zij op een goede dag op het punt om mij een geweldige gooi tussen de komkommers te geven, tot zij op het laatste moment zag dat ik het niet was. Wat een gemiste kans! Ik had me echt een hersenschudding gelachen als dat was gelukt.
Vandaag was het weer feest. Na de bijna-confrontatie met de auto buiten de supermarkt zetten we beiden de aanval in in de supermarkt. Zij ging er vandoor met mijn karretje. Ik wachtte haar op bij het brood, probeerde haar pootje te lichten en boodschappen uit haar karretje te jatten. Toen was ik op een gegeven moment écht mijn karretje kwijt. Mevrouw was allang naar de kassa verdwenen.
Verdomme! Vloekend keek ik rond. Niet té opvallend zoeken. Die trut staat natuurlijk om een hoekje zich te bescheuren om mijn wanhopig dwalen. Verderop zag ik haar bij de kassa. Ik zette het op een rennen, al scheldend. “vuile droeftoeter, graftak, hier met die kar!” tot ik struikelde over mijn eigen karretje en zij nietsvermoedend afrekende en de winkel uitstrompelde.
Fluitend draaide ik om en continueerde ik mijn bezigheden. Ze kwam er voor deze keer genadig vanaf. Maar zodra we weer op school zijn, komt ze er niet zo genadig vanaf. Gewoon, omdat zij het is.