Tijdens een autorit luister ik een achterbankgesprek af tussen mijn twee oudste kinders. Een blik in de binnenspiegel leert mij dat zowel Dano als Ayla met hun shirt omhoog hun navels aan het bestuderen zijn, onderwijl een ernstig gesprek voerend over de vorm van hun navel alsmede de link die er schijnt te zijn met de vorm van hun geslachtsdeel. Jongste telg Jody luistert mee, heeft geen enkel benul waar ze het over hebben maar doet voor de gezelligheid ook haar shirt omhoog.
“Kijk Ayla.Jij hebt een knoopjesnavel. En jij hebt geen piemel. Dus omdat jij een knoopjesnavel hebt, heb jij geen piemel. Ik heb een gaatjesnavel, en wel een piemel. Dus dat klopt wel”. Ik verkneukel mij stillekens om deze uitbarsting van onschuld uit Dano’s acht-en-een-half jarige mond.
Ayla weerlegt Dano’s stelling moeiteloos. “Maar Jody dan? Die heeft ook een gaatjesnavel. Maar geen piemel. Hoe kan dat dan?” De aandacht wordt verschoven naar Jody. Jody, helemaal in haar nopjes om deze vreugdefontijn van belangstelling voor haar persoontje (of liever gezegd haar navel) helpt een handje door grijnzend haar shirt nog wat verder omhoog te trekken.
Beiden bestuderen vol belangstelling Jody’s navel terwijl zij druk pratend op zoek gaan naar verdere overeenkomsten. Na enig overleg waarbij Jody zich ook in het gesprek mengt (al beperkt die inmenging zich tot opmerkingen als “kijk mamma, een gogel!”) komen de drie helden van dit verhaal gezamelijk tot de conclusie dat er geen bewijs is voor enige connectie tussen de vorm van de navel en het geslachtsdeel. De vergadering wordt gesloten, waarna zij doorgaan met hun reguliere werkzaamheden tijdens autoritten: kruimelen, limonade rondsproeien, lege Caprisonne-pakjes opblazen, elkaar slaan, Houdini-tje spelen met hun gordels en heel hard en heel veel “noouhooouhooou!” roepen.
En ik? Ik ga weer verder met met mijn hoofdtaak tijdens autoritten: fungeren als een kruising tussen een afgiftepunt, een afvalbak en een mediator.