Anti-oxidanten vs. vrije radicalen
03:30.
k fiets over de Weel. De lange rechte weg vliegt langs me heen. Op de middenberm staan statige heren, stram in het gelid. Als ik probeer te focussen (“probeer” want: stimulantia in de vrouw en té hard fietsen) blijken het gewoon bomen te zijn. Sorry heren.
Het was weer een bijzonder aangenaam partijtje. Enkele nieuwe gezichten, maar vooral veel oude gezichten. (dat oude is op meerdere manieren op te vatten). Van velen zijn de omstandigheden veranderd (de veranderde omstandigheden hebben in de meeste gevallen te maken met het verwekken en opvoeden van kotervolk). Maar toch is er ook niets veranderd. De muziek was hard, de gesprekken alsmede de sigarettenrook talrijk en de frisse lucht minimaal. Zo rond één uur ben ik mijn stem zo goed als kwijt. Af en toe naar de voordeur om een frisse teug lucht te nemen. Vanaf twee uur kan dat niet meer. Conform Hoornse verordening mogen de kroegen later dan twee uur s’nachts open blijven mits na twee uur de deuren gesloten blijven voor nieuwe bezoekers. Het is dus de sport om je definitieve eindbestemming vóór twee uur te vinden, anders heb je een probleem en kan je naar huis.
Om half vier hou ik het voor gezien. De meeste mensen zijn weg, de die-hards (altijd dezelfden) blijven over. Mijn strot voelt aan alsof een ellendeling een grote vork in mijn strot aan het rammen is. M en J smeren hem stiekum naar het huis van M. De mensen die daar na het feestje welkom zijn zijn ingelicht en vertrekken mondjesmaat. Dit om te voorkomen dat de halve kroeg straks bij M voor de deur staat. (En aangezien er alleen maar bekenden zijn, is die kans beheurlijk reëel).
Bob, zo lam als een potlood, wankelt met me mee naar de fiets, geeft me een zoen en draagt me op hard te fietsen. (Alsof verkrachters, al dan niet potentieel, überhaupt bij mij en mijn vuiniswagen-lucht in de buurt durven te komen). Maar toch laat ik me dit geen twee keer zeggen. Ik trap de pepermolen wat dieper mijn aars in en zet een flinke spurt in. De heren bomen op de middenberm van de Weel zeggen vriendelijk gedag.
Aangekomen met M. tref ik M en J mopperend aan. M’s Zoon heeft de sleutel aan de binnenkant van de deur laten zitten en ligt op zolder zwaar te ronken. We kunnen dus niet naar binnen. M. gilt zoonlief wakker, die mompelend met een slaaphoofd de trap afkomt en de deur openmaakt.
We laten ons opgelucht op de bank ploffen. Het zweet gutst werkelijk langs mijn lijf. Ik vind de geuren, alsmede de geelachtige dampen die van mijn bevallige lichaam opstijgen niet aangenaam. Om het geheel te completteren trek ik ook nog mijn laarzen uit. Ik zie J’s ogen wegdraaien maar hij houdt zich staande.
Na een half uurtje komt de rest binnen. Er wordt indringend geconverseerd en allerlei rookwaren van diverse pluimages dampen lustig in het rond. Ook de stimulantia en de drank tieren welig, zoals het hoort. Some things never change.
Om zes uur bedenk ik mij een paar zaken. 1. Om thuis te geraken moet ik 20 minuten fietsen. 2. Het is nu nog rustig op straat. Nu wel, ja. Straks wordt de straat weer bevolkt met honduitlaat- en Telegraaf-op-zondag-rondbrengvolk die mij ongetwijfeld met afschuw bekijken. 3. Het wordt heel erg warm. 4. Nog een paar uurtjes, en dan wordt het huis weer overspoeld met het kleine mamma-roepend volkje. 5. Ik voel mij en ruik als een vuilniswagen. Ik vind deze argumenten vooralsnog voldoende om op te stappen. Ik laat het zoenen voor wat het is (zie: vuilniswagen, en klef voorkomen), zwaai iedereen gedag en wankel naar buiten, richting fiets.
Het stuur van mijn fiets staat scheef. Ik klem het voorwiel tussen mijn benen en zet het stuur recht. Het stuur staat nu nog veel schever. Rottige perceptie gecombineerd met shit for brains. Ik herhaal het kunstje. Nu gaat het goed.
Van slapen komt niets. Ik voorzie mijn lijk lichaam van een grondige schoonmaakbeurt. Ik zal niet teveel in details treden, maar het is iets met veel chloor, schuursponsen, insectenspray en rattengif. Daarna besluit ik mijn bed in te duiken. Een lachertje natuurlijk. Van slapen komt niets. Dus na anderhalf uur woelen en draaien sleep ik mijzelf mijn bed uit en waggel naar beneden, richting koelkast.
In de koelkast vind ik een pak granaatappelsap. De gezondheidsclaim op het pak danst voor mijn ogen, maar ik weet met wat bruut focuswerk toch nog wat info mijn brein binnen te krijgen. Granaatappelsap schijnt zeer krachtige anti-oxidanten te bevatten. En wat doen anti-oxidanten? Domme vraag. Anti-oxidanten zijn bioactieve stoffen die het lichaam beschermen tegen ‘vrije radicalen’. En wat zijn ‘vrije radicalen’? Neen, daarmee wordt niet Che Guevara bedoeld, maar stoffen die in het lichaam vrijkomen door o.a. de stofwisseling, inademing van sigarettenrook en vervuilde lucht (hear, hear. Daarvan heb ik meer dan voldoende binnengekregen de afgelopen twaalf uur).
Grijnzend giet ik het hele literpak naar binnen en besluit op de bank neer te ploffen terwijl de anti-oxidanten hun werk doen in mijn stoffelijke resten. Ondertussen heb ik visioenen van mega braspartijen en drankgelagen, waarna de gevolgen in één oogwenk teniet worden gedaan door een explosief drankje met granaten en appels en zo. En zo breng ik de rest van de dag door. Me vooral niet te druk maken. Ik wil de anti-oxidanten niet uit hun concentratie halen, tenslotte.
P.s. De vrouw op de foto ben ik niet. Een foto van mijzelf plaatsen lijkt me niet zo verstandig. Zeker gezien de kreten van afschuw die ik eergisterennacht te horen kreeg bij het zien van de foto’s die van ondergetekende zijn gemaakt op deze bewuste nacht. En om jullie meteen de moeite van het plaatsen van een voorspelbare reactie te besparen: nee, die ga ik niet plaatsen ook.
