Oud zeer
e lezers die al wat langer op deze log bivakkeren, herinneren zich vast mijn kneuzenrelaas nog wel. Nadat de neurochirurg mijn beschadigde zenuwen zo goed als kwaad mogelijk had gesust, het kwaad vakkundig uit mijn rug had gejaagd en alles weer veilig was dichtgekit, dacht ik voorgoed verlost te zijn. Dit heb ik heel lang gedacht. Af en toe een pijntje hier, pijntje daar, wat moe s’avonds, maar meer ook niet.
Helaas lijkt het erop dat het addergebroed zich weer in mijn onschuldige rug heeft genesteld en oud zeer laat herleven. Het begon geleidelijk. Pijntjes werden wat erger, en tillen werd lastiger. Inmiddels voelt mijn rug na een koter-intensieve dag alsof Ma Tokkie mijn rug heeft gebruikt voor haar buikdans-act.
Ondanks een zeer goed matras die ik nog in mijn portemonnee voel, is het opstaan inmiddels zo bemoeilijkt, dat ik enkele minuten nodig heb om overeind te komen. Op handen en knieën naar de wc is geen zeldzaamheid. Plassen wordt steeds moeilijker. Drie á vier keer achter elkaar naar het toilet gaan en nóg voelen dat je blaas niet leeg is is ook meer regel dan uitzondering. Ook gaat mijn linkerbeen weer kuren vertonen. Kortom: het lijkt erop dat ik weer een oude vriend op bezoek heb.
Toen ik enkele weken geleden mijn klachten bij de dokter neerlegde, keek zij mij vorsend aan, en zei “en wat zou je zelf nu willen dat er ging gebeuren”? Domme vraag. Als ik haar salaris erbij krijg wil ik best mijn eigen diagnoses stellen. Bij een eerder bezoek had zij al gezegd dat ik “ermee moest leren leven”, maar toen speelde het plasprobleem nog niet. En dit was nu toch reden voor haar me door te verwijzen. Dus morgen mag ik op audiëntie bij de neuroloog.
Hopelijk valt het mee. Hopelijk komt de waarschuwing van de neurchirurg niet uit. “We hebben niet alles kunnen weghalen, en het kan terugkomen”. Hopelijk zijn mijn klachten alleen te wijten aan mijn chronische luiheid en het drukken van mijn snor als het gaat om oefeningen doen en bewegen. Wij zullen zien
