Hellerit
Sinds ik in maart jongstleden mijn rijbewijs heb gehaald, ben ik bijzonder bedreven geraakt in per auto boodschappen doen en kinderen wegbrengen. Het lot van de semi-huisvrouw; doorgaans reiken mijn auto-avonturen niet verder. Laat staan dat ik de snelweg via de linkerkant van de auto aanschouw. Niet bepaald ideaal. Voor je het weet heb je een fictief trauma omdat je de snelweg niet meer opdurft omdat daar de auto’s zo hard rijden. (Heel vreemd op een snelweg). Dus besloot ik vanmorgen de stoute pumps aan te trekken en onze bolide via de snelweg richting mijn moeder te jagen, om zoonlief op te halen na een logeerpartijtje.
Gegeven: mijn moeder woont al vijfendertig jaar in het pittoreske O. Met andere woorden: wij zijn richting O. verhuisd toen ik slechts twee jaar oud was. Aangezien mijn grootouders echter in A. bleven wonen, heb ik de snelweg tussen O. en A. al heel wat malen mogen aanschouwen. En om bij Hoorn te komen, moet diezelfde snelweg afgelegd te worden. Kortom: de A10 is mijn vriend, al mijn hele leven.
De heenreis verliep redelijk voorspoedig. Ganz allein in de auto, geen stoorzendertjes op de achterbank, slechts ikzelf en mijn favoriete muziek, geen regen, harde wind of irritante vrachtwagens durfde ik de snelheid op te voeren naar een duizelingwekkende honderdtwintig kilometer per uur en heb zelfs één of twee maal ingehaald. Vlakbij O. joeg ik de snelheidsmeter op tot honderddertig en denderde ik een vrachtwagen voorbij. Ik had visioenen, zag schreeuwende krantenkoppen “voor het eerst in jaren weer een vrouwelijke Formule 1-coureuze!”, zag vooral ontzettend dikke bankrekeningen en privé-jets. Jammer dat die visioenen mijn beeld dusdanig vertroebelde dat ik mijn afslag voorbij reed. Een afslag die ik ook al mijn hele leven ken. Niet getreurd. Er leiden meer wegen naar Rome. Of in dit geval, naar O. Een afslag en wat binnenweggetjes later belandde ik met een verlamde rechterpoot door het krampachtig gassen, afgesleten kiezen en acute epilepsie toch op de plaats van bestemming.
Helaas was de terugreis een ander verhaal. Sowieso was het een stuk drukker. Snelweg is leuk, alleen jammer van die andere auto’s. Maar ik liet me niet gek maken. De soppende bilnaad negerend schudde ik af en toe mijn vastzittende gebit los, snauwde tegen Dano dat hij zijn b.. mond moest houden en deed ik mijn uiterste best de snelheidsmeter boven de tachtig uit te laten komen. Was het nou twee seconden afstand houden of tweehonderd? Ik besloot twee minuten aan te houden. Veel veiliger. Door de snelheid af en toe naar de dertig te laten afzakken lukte dat prima.
Wijs geworden door de ervaring van de gemiste afslag op de heenweg, lette ik extra goed op, voor zover mijn door doodangst vertroebelde blik dat toeliet. Deze liet dat niet toe, bleek al snel toen ik in blinde dementie de afslag Haarlem nam. Een afslag die ik nog nooit van mijn leven genomen had en nu ook niet had moeten nemen.
Zwetend, rillend en snauwend denderden wij voort in de verkeerde richting. De muziek stond op tien, maar die durfde ik niet zachter te zetten, want daarvoor moest ik mijn hand van het stuur afhalen. De ruitenwisser idem dito; ondanks de stralende zon ragde de ruitenwisser op standje zondvloed heen en weer, maar om die het zwijgen op te leggen schijn je je vinger te moeten bewegen en dat leek me geen goed idee.
Het Formule 1-visioen maakt plaats voor een onheilspellende lotsbestemming. Als het equivalent van een Vliegende Hollander op wielen waren Dano en ik gedoemd om voor eeuwig rond te rijden op Neerlands wegen, op zoek naar onze thuisbasis, die wij nooit zouden bereiken. Jaar in jaar uit, joegen wij met grijnzende holle schedels en flarden kleding aan onze knokige ledematen onze medeweggebruikers de stuipen op het lijf door met een rotgang van dertig kilometer per uur over de snelweg te raggen, vergezeld door keiharde muziek en ons maniakaal hoongelach.
Een getoeter deed mij opschrikken uit dit visioen. Ik veerde overeind, de middelvinger in de aanslag voor zover ik die van het stuur durfde op te tillen. Het getoeter bleek afkomstig te zijn van een zeer luid vertolkt ’Pull up to the bumper’ uit mijn cd-speler. Kutplaat. Net nu. Die Grace Jones moeten ze afschieten.
Ineens zag ik licht in de fictieve duisternis in de vorm van een bordje met een hoopvol “Zaanstad”. Halleluja! Dat komt enigzins in de goede richting. Na hier en daar lukraak wat afslagen te nemen belandde ik eindelijk weer op de goede weg en konden we het Vliegende Hollander-visioen laten varen. Althans, tot we veilig voor de deur stopten en ik door kramp in beide benen niet uit kon stappen. Maar dat gaf me de gelegenheid om de bijtsporen uit het stuur te masseren voor mijn lief ze zou ontdekken en mijn rijbewijs zou doorknippen.
Conclusie? Zolang ik maar uit de buurt blijf van snelwegen, krappe parkeerplaatsen, ruime parkeerplaatsen, bekende en onbekende bestemmingen, grote steden, kleine steden, dorpen, rotondes, hekjes, landweggetjes, steegjes, medeweggebruikers en landbouw- en andere voertuigen ben ik na het nuttigen van een handje valium en een fles tequila een prima automobiliste. Wellicht is een overstap naar taxichauffeuze geen slecht idee.

1Tien
wrote on 29 January 2008 at 0:10
Hahaha! precies waarom ik het tijd vond weer eens bij je te neuzen: een verhaal naar mijn hart. Helaas voel ik me af en toe ook zo op de snelweg. Verstand op nul, veel zeggen dat ik het kan en verboden om in paniek te raken. Laatst de hele stad doorkruist op zaterdagmiddag. Te gek voor woorden, maar zonder een schrammetje. Ben wel heel blij dat ik alleen in de auto zit. Overigens kan ik je de woestijn aanraden. Wat een ruimte! groet van 10
2Peetje
wrote on 6 February 2008 at 20:40
http://www.blikopnieuws.nl/bericht/68803
Zie? Je doet het nog niet zo slecht!! *lol*